Met het oog op de

Toekomst

Even voorstellen: Ageeth Vanderveen

Ageeth Vanderveen is 49 jaar, woont in Groningen en heeft drie dochters. Zij is via Jeugdprofessionals Nederland gedetacheerd als gedragswetenschapper. Met al haar inzichten en ervaring heeft Ageeth samen met Jeugdprofessionals Nederland de basisopleiding voor gedragswetenschapper ontwikkeld.

“Ik werkte bij JB Noord, deels als onderzoeker bij Veilig Thuis en deels als gedragswetenschapper. Op een gegeven moment wilde ik mij volledig ontwikkelen binnen het werkveld van de gedragswetenschapper. Toen heb ik op LinkedIn de knop ‘beschikbaar’ aangezet en al gauw kreeg ik via een bedrijf in Groningen de vraag of ik misschien belangstelling had voor Jeugdprofessionals Nederland in Meppel. En sindsdien ben ik hier. Het concept van Jeugdprofessionals Nederland vind ik heel aantrekkelijk: de combinatie van opleiden, ontwikkelen en werken vanuit Jeugdprofessionals Nederland is erg inspirerend.”

Ageeth is een aantal jaar geleden afgestudeerd als gedragswetenschapper. “Mijn afstudeeronderzoek was gericht op de implementatie van de CJG’s binnen de gemeente. Dit was in de aanloop naar de transitie in 2015. Sinds 2000 werkte ik voor Bureau Jeugdzorg. Eerst als casemanager en later als onderzoeker.” Haar werk combineerde Ageeth ook met een studie. “Ik studeerde pedagogische wetenschappen en raakte nieuwsgierig naar de motieven en verwachtingen van de transitie. Dat was ook de reden dat ik deze als afstudeeronderwerp koos.” Ageeth vindt het voornamelijk interessant hoe het jeugdbeleid wordt vormgegeven. “Toen de plannen bekend werden dat de gemeente de jeugdzorg zou overnemen, ben ik in Groningen in een pilot-groep gegaan als werkbegeleider. In de pilot werd gewerkt met ‘Eén gezin, één plan’, en ‘generalist in het gezin, specialist in het team’.” Ageeth wilde zich graag bezig blijven houden met deze manier van werken. “Ik zie hier veel meerwaarde in: de dienstverlenende sector heeft met dezelfde gezinnen te maken en de verschillende afdelingen hierbinnen zouden veel meer in elkaars keuken moeten kijken om het gezin integraal te kunnen ondersteunen. Echter: beleid bedenken is vaak eenvoudig, implementatie laat knelpunten zien.”

Eén van deze culturele knelpunten is de historie van de jeugdzorg en dit geeft direct ook goed weer waar Ageeth als gedragswetenschapper hard aan werkt. “In mijn afstudeeronderzoek heb ik  de afgelopen 100 jaar van de jeugdzorg in beeld gebracht, vanuit internationaal perspectief. Het huidige Nederlandse jeugdzorgmodel is in grote lijnen overgenomen van Scandinavie. Scandinavie kent een geschiedenis van burgerparticipatie, terwijl de jeugdzorg in Nederland haar oorsprong vindt in de kerk: vrouwen van vooraanstaande mannen in gemeenschappen, legden huisbezoeken af bij de gezinnen die in maatschappelijk opzicht minder mee konden komen en meerdere problemen ervoeren. Vanuit deze situatie is de Kinderbescherming ontstaan en later de consultatiebureaus, de opvoedingsgestichten enzovoorts.” Ageeth vertelt dat dit heeft geleid tot een meer normatieve hulpverlening dan in Scandinavië. “Dit heeft als gevolg dat de culturele inbedding van deze transitie ontbreekt, de professionals traditioneel zijn opgeleid en het systeem in Nederland eveneens nog veel gericht is op normering en straf. Trainingen als Signs Of Safety sluiten meer aan bij burgerparticipatie en zijn echt anders dan we gewend zijn.” En deze transitie betekent een enorme cultuuromslag. “We hebben met elkaar te weinig stil gestaan bij de consequenties van implementatie van bovenaf van een model dat normalisering en burgerparticipatie voorstaat.” Ageeth zou het erg jammer vinden dat hier door de jeugdzorg opnieuw mislukt of failliet wordt verklaard. “Er wordt dan opnieuw de denkfout gemaakt dat de jeugdzorg is mislukt, terwijl de implementatie beter kan. Er zou meer met elkaar gesproken moeten worden over wat we aan het doen zijn en waarom. Nu blijft het vaak bij het overtuigen van elkaar en komt ontschotting niet van de grond.”

“Nu zijn de consulenten in de wijk aan het werk. Zij vangen signalen op en dan is het de bedoeling om deze signalen zo vroeg mogelijk in kaart te brengen om zo te voorkomen dat er dure geïndiceerde zorg wordt ingezet.” Ageeth vindt het interessant om dit allemaal uit te pluizen en de consulenten daarin te begeleiden. “Waar lopen ze tegenaan? Tot nu toe zijn ze behoorlijk aan hun eigen lot overgelaten om wat te doen. De professionals waren aanzet, maar hadden eigenlijk geen idee waar ze nu eigenlijk terecht waren gekomen. Voor de gemeente was de jeugdzorg ook een compleet nieuwe tak van sport die ze gewoon moesten gaan doen.”

Ageeth geeft aan dat de verbinding tussen de consulenten en de gemeente essentieel is in het werk. “ Net zo min als dat je een model uit een cultuur kunt halen en hier kunt implementeren, kun je ook niet op eilanden opereren en een gemeenschappelijk doel tot stand brengen. Je hebt elkaars expertise nodig. Dat is waarom ik ook altijd inzet op integraal werken. Integraal werken, positief jeugdbeleid, normalisering: het kan alleen wanneer betrokkenen naar elkaar luisteren en elkaars taal leren spreken. Je hebt elkaars informatie nodig.”

Ageeth geeft aan dat elkaars taal leren spreken betekent dat definities duidelijk moeten zijn en dat dit soms best lastig is. “Neem als voorbeeld de term preventie: Voor de één is dit het voorkomen van ergere zorg, voor de andere is het vanaf de wieg het kind volgen.” Voor Ageeth is de definitie van preventie duidelijk. “Voor mij betekent preventie een adequate analyse bij aanvang van het traject. Zo hoorde ik vorige week op de radio een programma dat ging over geweld achter de voordeur door gehandicapte kinderen of kinderen met autisme. Deze ouders durfden niet meer te zeggen dat er problemen zijn. Vanwege de angst dat hun kind uit huis zou worden geplaatst. Ze vertelden dat ze vaak verkeerd zijn begrepen door de omgeving en verkeerde adviezen zijn gegeven door de hulpverlening, waardoor de deze zijn gaan vermijden. Dan wordt het achter de voordeur alleen maar erger en kan van burgerparticipatie geen sprake zijn. Als je het dan hebt over ‘terug naar de burger’, dan moeten we daarmee aan de slag.”

“Goede preventie betekent wat mij betreft multidisciplinair analyseren. Dus als iemand een probleem heeft dan ga je geen advies geven, of zeggen wat er moet gebeuren. Dan kijk je met meerdere professionals en het gezin samen: Wie is dit? Wat is dit voor kind? Wat is de context? Hoe gaat het kind naar school? Hoe gaan de ouders met elkaar om? Zijn er broertjes of zusjes? Wat voor positie heeft het kind in het gezin? Dat wordt bedoeld met een familieplan. Dat moet je in kaart brengen en dan kan de oorspronkelijke hulpvraag een hele andere uitkomst hebben.”

Ageeth geeft aan dat je dan tot een goed vervolg traject zult komen waar iedereen 100% achterstaat, maar dat je hier elkaar wel echt voor nodig hebt. “De gemeente is hierbij de poort en krijgt te maken met veel verschillende zorgaanbieders met een eigen visie en achtergrond. Ook om die reden moeten we met elkaar in gesprek komen: een andere visie op zorg en hulp is niet erg, maar het moet wel onderdeel uitmaken van een systeem met kennis van elkaars kunde en expertise, weer om de reden het gezin integraal te kunnen benaderen. Dit blijft een lastig iets omdat we dit van oudsher niet zo zijn gewend in Nederland.”

Ageeth vertelt dat deze visie heeft geleid tot een nieuw idee. “De samenwerking tussen zorgaanbieders en gemeenten verloopt positief wanneer betrokkenen elkaar wat beter kennen en begrijpen en het doel van alle gemeenten en zorgaanbieders is deze te optimaliseren en om elkaar beter te vinden. Om die reden zijn we op het idee gekomen de opleiding ‘gedragswetenschapper sociaal domein’ op te richten. Een spin in het web die op eenduidige wijze tussen beleid en inhoud opereert, zowel tussen zorgaanbieders en gemeenten als tussen de verschillende afdelingen binnen het sociaal domein.”

Maar waar welke kwaliteiten of competenties moet je volgens Ageeth bezitten om een goede gedragswetenschapper te zijn? “Je moet goed mensen kunnen lezen en aanvoelen wat er speelt. Van nature moet je dit ook al wel een beetje bezitten. Het werk moet natuurlijk bij je passen. Daarbij zijn enthousiasme en nieuwsgierigheid erg belangrijk.” Met al haar inzichten en ervaring heeft Ageeth samen met Jeugdprofessionals Nederland de basisopleiding voor gedragswetenschapper ontwikkeld. “Dat is een traject van 18 maanden met een basisopleidingsdeel, intervisie en een consult functie. Als back-up zijn ervaren gedragswetenschappers bij de gemeente aanwezig tijdens de opleidingsperiode, die de gedragswetenschappers in opleiding kunnen ondersteunen waar nodig.” Daarnaast wordt de input en ervaringen van gedragswetenschappers, consulenten, beleidsmedewerkers en teamleiders gebruikt in de opleiding.  “Dit doen we om te komen tot een uniforme werkwijze van het sociaal domein in de gemeente. Er valt met elkaar nog zoveel te ontwikkelen en te pionieren… Ik zit hier nog wel even!